Water en Geest
De Urker gemeenschap heeft een bijzonder voordeel op de gemiddelde Nederlander: men weet dat water leven geeft en neemt. Het vissersmonument getuigd van het 'nemen' en de rijkdom die men in de 20e eeuw in hun netten had liet het 'gevende' kennen. Daarom is water, maar ook vissen een fascinatie die ik geerfd heb.
Wanneer Jezus tegen Nikodemus spreekt over het "geboren worden uit water en geest", is mij meteen duidelijk dat het wonderwerkende symbool zowel dood als levend maakt. Het is het proces dat Christus door zijn eigen sterven liet zien: dood en wedergeboort.
De tegenstelling van 'water' en 'geest' benadert Jung vanuit een complexio oppositorum, een tegenstellingen die eigenlijk bij elkaar horen. Water is het 'onder', het zware en het aardse, de stof en de materie. Geest is het 'boven', de wind en de adem. Het is de opdracht van het individu om zijn eigen 'boven en onder' met elkaar te verenigen. Dit schetst hij in scherpe verwoordingen tegenover Frau H. in een van de brieven. Er wordt ingegaan op het verantwoordelijkheid voor deze vereniging te nemen, in plaats van de verantwoordelijkheid hiervoor af te schuiven.
"Maar de moderne mens? Deze heeft geen flauw vermoeden van de mysteriën, die overigens in diskrediet zijn gebracht door de protestantse theologie, omdat er voor haar slechts één waarheid bestaat, en al het andere wat God voor de mens gedaan zou kunnen hebben louter geklungel is.
(...)
Wij imiteren Christus en hopen dat hij ons zal verlossen van ons eigen noodlot. Als makke lammeren volgen we de herder, uiteraard naar de goede weiden. Er is geen enkele sprake van het verenigen van ons Boven en Onder! Integendeel, Christus en zijn kruis verlossen ons van ons conflict, dat we simpelweg ongemoeid laten.
We zijn Farizeeërs, trouw aan wet en traditie; we ontvluchten ketterij en zijn slechts bedacht op de imitatio Christi, maar niet op onze eigen realiteit die ons is opgelegd: de vereniging van tegenstellingen in onszelf. We verkiezen te geloven dat Christus dit al voor ons heeft volbracht. In plaats van onszelf te dragen — dat wil zeggen: ons eigen kruis — laden we Christus op met onze onopgeloste conflicten."
(Eigen vertaling van de tekst uit Letters of C. G. Jung Vol. 2, 1951-1961, Adler, Gerhard (ed.))
Deze scherpe woorden werpen me wel op een overtuiging die al jaren rijpend is maar niet tot wasdom komt. De solo gratia is de doodsteek voor mij, want ik krijg dan niet de kans tot nodige boetedoening voor mijn eigen zonde. Alleen door de erkenning van mijn eigen zondigheid, onkunde en onmacht is het mogelijk om genade te ontvangen. Daarbij is dat nog niet eens een gegeven, want deze ootmoed komt zonder garantie. Het kan zomaar zijn dat ik die genade nooit zal kunnen ervaren. Zo wordt de existentiële houdgreep in stand gehouden.
Volgens dit gereformeerde gedachtegoed is er geen leven in Christus, alleen een lijden voor Christus. De onmacht, de vernedering voorkomt dat Christus daadwerkelijk nagevolgd kan worden door het 'kruis op te nemen'.
Hoe komt dan de Geest dan onder de mensen? Als we niet zelf dat kruis kunnen opnemen?
Het kruis dragen is voor mij inzien dat het aardste leven, mijn lichaam, mijn geest een plek mag zijn voor het hogere. De ontkenning daarvan en mijn -naar wat lijkt- eigenheid om vooral waarde te hechten aan de geest heeft meer weg van een eenzijdig vluchten dan een balans. Het is voor mij het aannemen van de onvolkomenheid en het lijden ervaren.