De ego en de ander

De ego en de ander

Het Grote Werk vaak met de Separatio. Dit is de fase waarin de oorspronkelijke en ongedifferentieerde eenheid -de unio naturalis- van de psyche wordt opengebroken. Dit is het moment waarop de Monade (het Ene) zich splitst in de Dyade (de Tweeheid). Een splijting zonder welke er geen licht kan schijnen in de duisternis.

Er leeft in mij een beeld van het ego, dat als het ware een kind is. Ontstaan uit iets dat heel was. Zo ontstonden de observator en de actor.

Ik weet nog dat ik als kind op een zondagochtend vroeg wakker was. In de stille woonkamer keek ik door het raam naar buiten. Het was mistig en er was niemand te vinden.
Iedereen zou nog wel slapen. Zijn er andere mensen die nog slapen? Die hun leven hebben? Die niet mij zijn? De unio naturalis begint barsten te vertonen. Jung stelt dat bewustzijn pas ontstaat wanneer het ego zichzelf als een object kan zien.

Bewustwording

De ontwikkeling van het ego gebeurt door differentiatie. Door onderscheid tussen het ene en het andere. Door het inzicht dat 'ik' iemand 'anders is' ontstaat er een onderscheid in de psyche: de mogelijkheid om twee te worden. De mogelijkheid om onderscheid te maken tussen de binnen- en buitenwereld.
Het meest basale onderscheid is die tussen mij en mijn moeder en vervolgens al het andere.

Na die zondagochtend was ik anders. Ik kon mijzelf opeens zien. Ik kon mijzelf waarnemen in de alledaagse dingen: welke weg ik naar school liep en wat ik daar onderweg tegen kwam. En ik werd me vooral ook bewust van wie mijn ouders waren.
Sinds die dag herkende ik mezelf als iemand die iets deed, maar ik kon niet zeggen dat ik het was... of wel? Deze verwarring van geest werd steeds scherper.
Vaak ging ik op in de momenten, om me later te realiseren dat ik voor een tijdje iemand anders was. Ik was opeens niet meer die persoon die ik normaal gesproken was, maar iemand die reageerde en aanpaste aan anderen.

Splijting

Deze gespletenheid is iets dat ik altijd heb en altijd meeneem, maar met niet even veel bewust van ben.
De observator die waarneemt wat 'ik' doe, en een actor die doet. Dit geeft afstand, een veiligheid die gepaard gaat met een bewust ontberen. 'Ik' is twee personen, waarvan de tweede, degene die ontstond bij het zien van de mistige straat, gelooft dat hij de echte 'ik' is, totdat de beschouwer hem beschouwt.

De observator is degene die bij het kind blijft, en waarborgt dat het heel blijft. Het waarschuwt én controleert. Het regeert uit bescherming, waakt en heerst. Het beperkt uit angst om te verliezen wat waardevol is.
De actor wil handelen, ervaren en opgaan in alles. Hij pleit voor liefde, genade en zonde. Hij wil zichzelf zijn en zichzelf krachtiger maken.

Zeggen dat 'ik' beide ben is moeilijk en paradoxaal. Ik ben beide, en voel meer authentiek naar de observator. Maar de actor is net zo authentiek, een even passend deel in het geheel. Ze zijn beide gelijk, en beide voelen ze als 'heel', ook al voelt dat geheel meer dan de som der delen.

De mist op zondagochtend was de sluier van mijn onbewuste kindertijd. Het wegtrekken van die mist is zowel de verdrijving uit het paradijs alsook de enige weg naar de Lapis.

De eenheid hierin ligt voorbij de tweedeling, op het punt waar de observator en de actor elkaar recht in de ogen kijken. Zonder onderscheid te maken.